Wat is spanningsverlies?
Elke kabel heeft weerstand. Hoe langer de kabel en hoe groter de stroom, hoe meer spanning er onderweg verloren gaat. Te veel spanningsverlies laat motoren warm worden, lampen flikkeren en apparaten slecht werken.
Voorbeeld: 16 A over 25 m met 2,5 mm² op 230 V
ΔU = 2 × 25 × 16 × 0,0225 ÷ 2,5 = 7,2 V, ofwel 3,13 %, net boven de aanbevolen 3 %. Met 4 mm² daalt het spanningsverlies naar 1,96 %. Typisch geval: een groep naar de schuur of tuin, of een laadpunt achter in de tuin.
Grenzen
IEC 60364-5-52 (bijlage G), waarop NEN 1010 is gebaseerd, adviseert voor installaties die op het laagspanningsnet van de netbeheerder zijn aangesloten maximaal 3 % voor verlichting en 5 % voor overige verbruikers, gemeten van de aansluiting tot het apparaat.
Veelgestelde vragen
Hoe beperk ik het spanningsverlies?
Kies een dikkere kabel, maak de kabel korter of sluit grote verbruikers 3-fase aan op 400 V in plaats van 230 V.
Waarom is het spanningsverlies bij 3-fase kleiner?
Bij hetzelfde vermogen loopt er op 400 V 3-fase veel minder stroom door elke geleider, en het spanningsverlies neemt toe met de stroom.
Vul ik de enkele lengte in?
Ja. Vul de afstand van de meterkast tot het apparaat in; de formule rekent de heen- en terugweg al mee.